Geen verzoek tot handhaving maar toch ontvankelijk in bezwaar en beroep

 

Je krijgt als handhavingsjurist een verzoek tot handhaving van ‘Pietje’ op je bureau. Het gaat om een vermeende overtreding van een bestemmingsplan. ‘Niks aan de hand,’ aldus jouw conclusie en je weigert (met een B&W besluit) handhavend op te treden.

 

Vervolgens gaat niet alleen Pietje, maar ook ‘Jantje’ in bezwaar en beroep. De rechtbank vindt dat het bezwaarschrift van Jantje door B&W niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat hij (anders dan Pietje) geen verzoek tot handhaving heeft ingediend, zodat het B&W besluit geen beslissing op zijn aanvraag kon zijn waartegen hij bezwaar kon maken.

 

Maar de rechtbank heeft het mis. Je kunt een handhavingsbesluit immers niet alleen op verzoek maar ook ambtshalve nemen. Het maakt daarom niks uit of – in dit geval – Jantje wel of niet een handhavingsverzoek heeft ingediend. Je kunt dit toch inmiddels als bestendige jurisprudentie betitelen (ABRvS 27 november 2013, 201209246/1/A3 en ABRvS 18 mei 2011, 200903577/1/R2).

 

Dit zou anders ook geen effectieve geschilbeslechting zijn. Stel immers dat je het bezwaar / beroep van Jantje niet-ontvankelijk zou kunnen verklaren, dan zou niets of niemand hem tegen kunnen houden om alsnog een verzoek tot handhaving in te dienen. De bezwaar- en beroepsprocedures die dan zouden volgen gaan dan over exact hetzelfde geschil. Dat is natuurlijk niet effectief.

 

Kortom, dat Jantje geen handhavingsverzoek heeft ingediend, betekent dus niet dat zijn bezwaarschift niet-ontvankelijk is. Natuurlijk moet je wel kijken of zijn bezwaarschift voldoet aan de andere eisen die onze wetgever aan de ontvankelijkheid van zijn bezwaar stelt.

 

Bron: ABRvS 20 januari 2016, 201503949/1/A1