Ruimtelijke besluiten voor bijvoorbeeld woningbouw gaan – in veruit de meeste gevallen - hand in hand met anterieure overeenkomsten. De bouw van een woning is immers een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Je moet dus (namens de gemeente) in dat geval kosten verhalen.

 

Mocht er geen anterieure overeenkomst zijn gesloten, dan moet je het publiekrechtelijk spoor voor het kostenverhaal bewandelen. Er moet dan een exploitatieplan worden vastgesteld. Voor derden is het dus van belang om te weten of er überhaupt een anterieure overeenkomst is gesloten. Het sluiten van zo’n overeenkomst moet daarom worden gepubliceerd. En wel binnen twee weken na het sluiten daarvan (artikel 6.24, lid 3 Wet ruimtelijke ordening).

 

Ook moet de zakelijke beschrijving van de inhoud van de overeenkomst dan ter inzage worden gelegd (artikel 6.2.12 Bro). Je hoeft overigens niet de overeenkomst zelf ter inzage te leggen.

 

Maar wat nou als de anterieure overeenkomst – om wat voor reden dan ook – niet ter inzage heeft gelegen? Heeft dit dan nog gevolgen voor het daaraan ‘gekoppelde’ ruimtelijk besluit?

 

Neen! Dit gebrek heeft niets te maken met de inhoud of de procedure van het betrokken ruimtelijke besluit. Dit gebrek kan daarom voor de bestuursrechter geen reden zijn om het ruimtelijk besluit te vernietigen. 

 

Bron: ABRvS 20 januari 2016, 201505045/1/R6