Een opinie

 

Wat een 'simpel' briefje in ons omgevingsrecht al niet kan doen. Wanneer dit briefje binnen de beroepstermijn van een bestemmingsplan “Buitengebied” bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ingediend, dan zet dit briefje een heel buitengebied van een gemeente een lange tijd op slot.

 

Inhoud van dit briefje? Een verzoek om voorlopige voorziening. Natuurlijk moet dit verzoek om voorlopige voorziening gepaard gaan met een beroepschrift (connexiteitsvereiste), maar dat kan natuurlijk in datzelfde briefje staan.

 

Impact 

Goed, je kunt simpelweg verwijzen naar de wet (artikel 8.4 Wet ruimtelijke ordening). Daar staat het toch in? Klopt, maar de impact van zo’n briefje is in een dergelijk plangebied toch groot te noemen en de consequenties voor burgers en ondernemers in het buitengebied zijn ook moeilijk uit te leggen.

 

Neem nou het ‘mooie’ voorbeeld van vorige week. Het betrof hier een uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling over een actualisatieplan van het buitengebied van een gemeente in Noord-Brabant. Dit bestemmingsplan zie je tegenwoordig wel meer. Het betrof een mengelmoes van een aantal beleidsmatige aanpassingen, het netjes doorvoeren van een uitspraak van de Afdeling over het ‘oorspronkelijke’ bestemmingsplan “Buitengebied”, het weghalen van wat foutjes uit dit plan en het meenemen van een aantal nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied (veegplannen). Het plangebied bestond dan ook uit een groot aantal losse, verspreid over het buitengebied van deze gemeente liggende percelen.

 

Crux 

En in die laatste zin zit nou de crux. Slechts een aantal appellanten hadden een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waardoor het gehele buitengebied (van rechtswege) maar liefst een half jaar niet kon profiteren van alle nieuwe (en ongetwijfeld verbeterde) inzichten van de gemeenteraad.

 

Dit gebeurt dus (zelfs) wanneer een verzoek om voorlopige voorziening door een appellant wordt ingediend, die moeite heeft met het nieuwe bestemmingsplanregime van zijn eigen perceel. En dit belang staat nagenoeg altijd los van alle andere belangen die in het buitengebied moeten worden beschermd of juist (beleidsmatig) gestimuleerd moeten worden.

 

Dit verzoek om voorlopige voorziening waarbij de appellant zijn zorgen uit over de (on)mogelijkheden van zijn eigen perceel wordt dan ook als zodanig – op perceelniveau – door de Voorzitter van de Afdeling beoordeeld.

In de uitspraak van vorige week werd de discussie ook op perceelniveau gevoerd. Het bestemmingsplan werd nu niet meer in geheel geschorst. Nee, de schorsing beperkte zich nu tot de planregeling van een aantal percelen die je letterlijk op één hand kon tellen. De rest van het bestemmingsplan trad dus alsnog met deze uitspraak in werking.

 

'Bloeden' 

Natuurlijk, deze systematiek is ingegeven door het streven van onze wetgever om te voorkomen dat er onomkeerbare situaties ontstaan. Een soortgelijke regeling kennen we immers ook in de Wabo. Zo treedt een ‘monumentenvergunning’, een ‘kapvergunning’ of een ‘milieuvergunning’ ook pas in werking na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn en wanneer er een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, na afloop van het besluit van de voorzieningenrechter.

 

Maar in een groot buitengebied pakt deze systematiek toch heel anders uit. Wanneer het bestemmingsplan ‘slechts’ op perceelniveau wordt aangevallen, dan staat in de rest van de voorlopige voorziening- en beroepsprocedure alleen de planregeling van dat perceel ter discussie. Zie ook het artikel “Herhaalde maar luidere oproep aan appellanten in ons omgevingsrecht om besluitonderdelen tijdig aan te vechten.” En daar moet dan het gehele buitengebied een tijdje voor ‘bloeden’.

 

Wrange nasmaak 

Pas wanneer het algehele fundament van een bestemmingsplan ter discussie wordt gesteld, zou de door de wetgever gekozen systematiek op zijn plaats zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een eventuele planMER-plicht. Zie het artikel “Vernietigen die hap! De planMER-plicht is niet gecheckt.' Is dit een fatale beroepsgrond tegen je bestemmingsplan?.”

 

Je zou daarom de schorsende werking van een verzoek om een voorlopige voorziening gedurende de beroepstermijn moeten koppelen aan de besluitonderdelen die in het beroepschrift worden aangevallen. Toegegeven, dat is natuurlijk niet altijd eenvoudig en tijdig vast te stellen en het is eveneens een uitdaging voor wetgevingsjuristen, maar de huidige systematiek kent voor de (grotere) bestemmingsplannen ook een wrange nasmaak.

 

Bron: ABRvS 6 januari 2016, 201507665/2/R6