Weglaten van een kernfunctie in het buitengebied is vernietigend voor het bestemmingsplan

 

Wellicht moet je je buitengebied nog (verplicht vanuit de Wet ruimtelijke ordening) actualiseren en digitaliseren. Het spreekt dan voor zich dat er dan een integrale afweging van de ruimtelijke relevante belangen in dit buitengebied moet plaatsvinden. Alleen dan is je plan (lees: het plan van de gemeenteraad) immers in overeenstemming met de wettelijke eis van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Een open deur zou je zeggen.


Uitdaging van jewelste
Nou, kennelijk niet altijd. In je plangebied liggen namelijk 100 veehouderijen. Maar er ligt ook een Natura 2000-gebied. Kortom, een uitdaging van jewelste! Grote kans namelijk dat de stikstofdepositie binnen dit Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarde overschrijdt.


Helaas heb je dan ook nog de 'pech' dat dit probleem in een zienswijze over het ontwerpplan wordt aangekaart (chargeer hier een beetje natuurlijk). Tja, dan haal je die veehouderijen er bij de vaststelling toch gewoon uit? Mocht een veehouderij willen uitbreiden dan zie je bij de vergunningverlening wel wat dit betekent voor de stikstofdepositie en het woon- en leefklimaat in het buitengebied.


En nee, ook het ‘op slot zetten’ van de veehouderijen door de bestaande uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven weg te nemen vind je geen optie. Bij iedere nieuwe emissiearme stal heb je dan weer een wijziging van het bestemmingsplan nodig. Je uitgangspunt is dan ook dat de veehouderijen hun bestaande uitbreidingsmogelijkheden (op grond van het geldende planologisch regime) mogen behouden.


Het is toch zo dat de gemeenteraad beleidsvrijheid heeft om bestemmingen aan te wijzen en dat dit terughoudend door onze hoogste bestuursrechter wordt getoetst?


Ja, dat klopt, alleen wanneer deze keuze ook in de beroepsgronden ter discussie wordt gesteld en de Afdeling vindt die keuze in strijd met een ‘goede ruimtelijke ordening’, dan heb je toch een groot probleem.

 

Koninklijke weg
De Koninklijke weg om de bestaande veehouderijen inclusief hun uitbreidingsmogelijkheden (op grond van het ‘oude’ planologisch regime) alsnog op te nemen is in dit plan kansloos. Dit lukt alleen wanneer je een passende beoordeling (in de zin van de Natuurbeschermingswet) maakt die de zekerheid biedt dat de veehouderijen en hun uitbreidingsmogelijkheden niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Zoals al eerder is geconstateerd, gaat dit hier niet lukken. Het opnemen van de bestaande veehouderijen en hun uitbreidingsmogelijkheden zou daarom in beroep alleen maar leiden tot vernietiging.


Maar het simpel weglaten van deze 100 veehouderijen en hun uitbreidingsmogelijkheden leidt eveneens tot vernietiging (wanneer dit in de beroepsgronden ook wordt aangekaart)! Je laat immers een kernfunctie van het buitengebied categoraal buiten het plan. Voor alle veehouderijen en hun uitbreidingsmogelijkheden blijft dan het ‘oude’ planologische regime gelden. En de gevolgen hiervan voor het Natura 2000-gebied, maar ook het woon- en leefklimaat binnen het buitengebied betrek je dan niet bij de actualisatie van het planologisch regime voor het buitengebied.


Er bestaat namelijk ook een ruimtelijke samenhang tussen de veehouderijen met hun uitbreidingsmogelijkheden en de eerdergenoemde milieugevoelige bestemmingen. Door het weglaten van veehouderijen en hun uitbreidingsmogelijkheden kan er geen integrale afweging van de betrokken ruimtelijk relevante belangen plaatsvinden. En dat is in strijd met een goede ruimtelijke ordening.


En zo ontstaat er dus in feite een paradox: hetgeen je al bang voor was wanneer je de bestaande veehouderijen en hun uitbreidingsmogelijkheden in het plan zou meenemen, gebeurt juist wanneer je besluit om dit niet mee te nemen: namelijk een vernietiging van je plan (wat betreft het buiten het plan laten van de veehouderijen)!


Bron: ABRvS 15 juli 2015, nr. 201402158/1/R1