Dit terwijl iedereen plezier heeft van een onberispelijk procesdossier

 

Een van de eerste processuele stappen die je (namens B&W) in een beroepszaak tegen een omgevingsvergunning moet nemen is het indienen van een verweerschrift en het opsturen van de stukken die met deze zaak te maken hebben. Hier heb je vier weken voor (zie artikel 8:42, eerste lid Algemene wet bestuursrecht).

 

Over die termijn heb ik het al eerder gehad (zie het artikel “Ongestraft verweerschriften te laat indienen mag, maar er is een deadline”). Het gaat me nu even over de wijze waarop je de stukken aanlevert. Het procesdossier dus.

 

Veel plezier

Nu is het niet alleen voor jezelf gemakkelijk de stukken in het procesdossier in chronologische volgorde en genummerd in te dienen. Met de voorbereiding van de zitting en vooral tijdens de zitting heb je hier immers veel plezier van. Er zit dan een ‘verhaallijn’ in je procesdossier en je bespaart je een afgang tijdens de zitting (mocht je weer eens een document niet kunnen vinden).

 

Maar het getuigt – mijns inziens – ook van respect naar de bestuursrechter en de appellant wanneer je het procesdossier netjes op orde hebt.

 

Puinhoop

En toch gebeurt het kennelijk nog wel eens dat het procesdossier een puinhoop is. Misschien dat alle relevante stukken wel aanwezig zijn, maar niet in chronologische volgorde, laat staan genummerd.

 

Onze hoogste bestuursrechter heeft vandaag bepaald dat dit ook niet door de wetgever (artikel 8:42 Algemene wet bestuursrechter) wordt verwacht. Ook is een rommelig procesdossier in principe niet in strijd met de goede procesorde.

 

Maar dit kan anders uitpakken wanneer een appellant hierdoor wel in zijn belangen is geschaad of wanneer een bestuursrechter door zo’n procesdossier onvoldoende voorbereid is om een uitspraak te doen. Maar dan moet je het kennelijk wel heel bont maken.

 

Hoewel de appellant aangaf grote moeite te hebben met het rommelige procesdossier, was dit voor onze hoogste bestuursrechter vandaag echter niet genoeg om de verweerder (B&W) op zijn vingers te tikken.

 

Bron: ABRvS 27 januari 2016, nr. 201502687/1/A1 en 201502910/1/A1